Het onderwijskansenbeleid in Nederland

8 april 2013

Met zijn essay “Gelijke kansen, bereikt of onbereikbaar?” heeft Sjak Rutten onlangs afscheid genomen van het advies- en onderzoeksbureau Sardes. In het stuk maakt Rutten de balans op na bijna vijftig jaar gelijkekansenbeleid. Zijn conclusie: de scherpe kanten zijn wel van de ongelijkheid in het onderwijs af. 

In zijn essay geeft Rutten onder andere antwoord op de volgende vragen: ‘Waarom wilden we gelijke kansen bevorderen?’, ‘Hoe hebben we dat gedaan en wat heeft dat opgeleverd?’ en ‘Is er nu sprake van gelijke kansen in het onderwijs?’

Waarom willen we gelijke kansen?
Rutten zegt: “Het voelt heel onrechtvaardig wanneer kinderen hun talenten niet kunnen ontwikkelen en hun maatschappelijke kansen vooral worden bepaald door afkomst, sekse en regionale herkomst. In Nederland lag de nadruk vooral op het bestrijden van onderwijsachterstanden. Dat was en is heel hard nodig. Maar gelijke kansenbeleid betekent dat de talenten van alle kinderen worden ontwikkeld. De kenniseconomie vraagt daar ook om.” In zijn essay schrijft Rutten dat gelijkekansenbeleid al sinds de jaren 60 in de belangstelling staat. Toen bleek uit onderzoek dat arbeidskinderen nauwelijks op de universiteit terecht kwamen. Statistisch gezien had een jongere uit een hoger milieu 47 maal zoveel kans om op de universiteit terecht te komen, dan een tiener uit een laag milieu. Er was dus niet echt sprake van gelijke kansen. In zijn essay schrijft Sjak Rutten dat “de gevoelde onrechtvaardigheid van het bestaande onderwijs een belangrijke drijfveer was om iets te willen doen aan de ongelijkheid van kansen in het onderwijs.”

Hoe werd het gelijkekansenbeleid vormgegeven?
Om de ongelijkheid in het onderwijs aan te pakken werd in 1968 de Mammoetwet aangenomen. Hierdoor werd het oude standenonderwijs doorbroken; het was nu mogelijk om via de mavo en havo door te stromen naar het vwo. Bovendien werden eind jaren zestig steeds meer onderwijsstimuleringsprojecten opgericht, om kinderen in achterstandssituaties bij te scholen. Scholen, waarop relatief veel van deze kinderen zaten, kregen extra personeel toegewezen. Tegelijkertijd besloot men het onderwijs voor allochtone kinderen anders vorm te geven. Dit moest niet langer worden gericht op de terugkeer naar eigen land, maar op integratie in de Nederlandse maatschappij. 

Begin jaren negentig kwam het voortijdig schoolverlaten prominent op de onderwijsagenda. Uit cijfers was gebleken dat een kwart van allochtone leerlingen het onderwijs verliet zonder diploma. Daarnaast kwam er steeds meer aandacht voor de voorschoolse periode. In Amerika, waar voorschoolse educatie al in de jaren zestig werd gegeven, was dat een enorm succes. Uit onderzoek bleek dat kinderen die hadden deelgenomen aan het Perry Preschoolproject op 27-jarige leeftijd in alle opzichten beter presteerden. Ze waren economisch zelfstandiger, woonden minder in eenoudergezinnen en waren minder in aanraking geweest met criminaliteit. Dit bracht James Heckman, die in 2000 de Nobelprijswinnaar voor de Economie won, tot de uitspraak dat voorschoolse educatie de meest effectieve investering is die je in het onderwijs kunt doen. In Nederland realiseerde men zich het belang van vroegschoolse educatie en vanaf 2000 werd dat op grote schaal ingevoerd. Sinds 2006 raken kinderopvangorganisaties steeds vaker betrokken bij de vve en komen er steeds meer brede scholen en kindcentra. Ook onderwijstijdverlenging, zoals de verlengde schooldag en weekend- of zomerscholen doen hun intrede. Door middel van naschoolse activiteiten kunnen leerlingen hun talenten beter ontwikkelen. Concluderend zegt Rutten: “Als je het gelijkekansenbeleid van de laatste veertig jaar bekijkt, dan zie je dat de aanpak steeds professioneler is geworden. De grote klappen zijn gemaakt met de strenge aanpak van het voortijdig schoolverlaten en de grootschalige invoering van de voor- en vroegschoolse educatie. Maar er is nog veel winst te halen, bijvoorbeeld op het punt van ouderbetrokkenheid.”

Is  er nu sprake van gelijke kansen in het onderwijs?
De vraag is nu of alle ontwikkelingen van de afgelopen jaren hebben geleid tot gelijke kansen in het onderwijs. In zijn essay schrijft Sjak Rutten dat deze vraag op twee manieren is te beantwoorden. Als je de COOL-studies en cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau vergelijkt met dezelfde cijfers uit het verleden, kun je een aantal conclusies trekken. Zo is gebleken dat autochtone leerlingen met goed opgeleide ouders betere resultaten halen dan autochtone leerlingen met laag opgeleide ouders. Kinderen uit een lager milieu presteren op hun beurt weer beter dan allochtone leerlingen. En tegelijkertijd neemt de onderwijsachterstand van allochtone leerlingen al jaren af. Scholieren in Nederland presteren dus beter. Maar Rutten stelt dat deze conclusie geen antwoord is op de vraag of er nu sprake is van gelijke kansen in het onderwijs. “Het is geen sluitend bewijs dat het onderwijsachterstandenbeleid werkt, maar wel een belangrijk argument tegen de stelling dat het achterstandenbeleid niet werkt.”

Daarnaast kun je de prestaties van Nederlandse scholieren meten met die van kinderen uit het buitenland. In vergelijking met andere landen doen de Nederlandse achterstandsleerlingen het goed. Maar tegelijkertijd maar blijven de betere leerlingen in ons land achter. Zo scoort de 1 procent slechtst presterende leerlingen in Nederland het beste van allemaal. Wat betreft de 1 procent best presterende leerlingen, staat Nederland echter op de dertiende plek. Overigens schrijft Rutten dat het Nederlandse onderwijs wel tot de Europese top behoort. “Alleen Finland staat in de totaalstand en op alle onderdelen boven Nederland.” 

Tot slot is sociale mobiliteit, de kans om hogerop te komen, ook af te lezen aan het inkomensverschil. Uit onderzoek van Wilkinson en Pickett (2009) is gebleken dat de rijkste twintig procent in Nederland 5,3 maal zoveel heeft als de armste twintig procent. Daarmee is het inkomensverschil hier vergeleken met andere landen klein en de sociale mobiliteit dus groter dat bijvoorbeeld in Amerika, Engeland en vele andere Westerse landen. Overigens zegt Wilkinson in een TED-lezing dat je het beste naar Denemarken kunt verhuizen als je de American Dream wilt realiseren. 

Op de vraag of het doel nu behaald is, zegt Rutten: “Er is zeker nog geen sprake van gelijke kansen. Sommige kinderen krijgen van huis uit minder mee dan andere. Daarom is het goed dat in brede scholen en bij onderwijstijdverlenging veel aandacht wordt besteed aan sport, cultuur, natuur en techniek. De goede ontwikkelingen zie je vaak nog buiten de reguliere onderwijsuren. Afstemming van schools en buitenschools leren kan nog veel beter.”

Conclusie
In zijn conclusie stelt Sjak Rutten dat de scherpe kanten inmiddels wel van de ongelijkheid in het onderwijs af zijn. Rutten schrijft: “Veertig jaar gelijkekansenbeleid in het onderwijs heeft geleid tot een gestaag beter wordende aanpak en toenemende resultaten, zeker vergeleken met het buitenland.” Dit is volgens Sjak Rutten echter geen veilig bezit. “De bestrijding van onderwijsachterstanden moet worden voortgezet. De toenemende aandacht voor excellentie is terecht, maar excellentie en kwaliteit op alle niveaus moet daarbij centraal staan. Handhaven van de hoge positie op de ranglijst van kenniseconomieën vraagt om goed onderwijs voor alle kinderen.”

Nieuw boekje

8 april 2013

Een nieuw praktisch boekje! Als hulp en inspiratiebron. Over werken aan en in een kindcentrum. Juist voor hen die dagelijks werken voor kinderen.
Bestel het hier.

Nieuws op {Breed}

8 april 2013

Columns van Job

8 april 2013

17 oktober 2017
06 september 2017

Op de kaart

8 april 2013

kaart van alle Brede Scholen en IKC's. Staat u er al bij?

Twitter (breed}!

Nieuwsbrief

8 april 2013

{Breed}, tweewekelijks in uw mailbox! U kunt zich hier aanmelden.

javhide.com sexsut.com